Eigenlijk zijn e-bikes gewoon doping – column #9

Leestijd: 2 minuten

De elektrische fiets, afgekort de e-bike, lijkt het perfecte compromis te zijn tussen het gemak van de auto en de rust van de fiets. Allemaal leuk en aardig, maar mij zit dat ding erg dwars.

Allereerst: ik ben een ‘normale’ fietser (zonder e-bike) en dat bevalt me prima. Fietsen is een heerlijke bezigheid: de vogeltjes fluiten, de wind staat in je gezicht, je geniet van de omgeving, en zo kan ik nog ontelbaar meer redenen bedenken waarom iedereen zou moeten fietsen.

Maar… er zijn ook momenten waarom mijn fietstochtje een stuk minder leuk is: wind en regen. Het zijn juist die momenten waarop e-bikes mij mateloos ergeren.

Stel je voor: het waait. Wind tegen. Je moet hard trappen om vooruit te komen. Je trapt… en je trapt. Het kost veel energie, maar het heeft ook resultaat: je komt vooruit. Opeens wordt de wind nog sterker, je moet nog harder trappen, het zweet staat op je voorhoofd…

En op dat moment halen twee bejaarden je van achteren in. Op e-bikes, waardoor ze totaal geen last van de wind hebben.

Ik vind het niet eerlijk, iedereen is immers gelijk, toch? Waarom moet IK in de regen en de wind wel knokken, terwijl de e-bikebezitters vrolijk met 25 kilometer per uur over de weg glijden? Is dat niet een beetje tegen de spirit of sport?

Daarom beschouw ik sinds kort de e-bikes als doping (‘een middel om sportprestaties te verhogen’ – Wikipedia) en vind ik dat de elektrische fietsen geen ‘fietsen’ meer mogen heten. Ze zijn NIET representatief voor het harde werken van alle mensen die dag in dag uit zwoegen om van A naar B te komen, door weer en wind.

Red de oude, vertrouwde fiets!


Stach Redeker is in het dagelijks leven student, lifehacker en blogger. Geïnspireerd door de lessen Nederlands en door een artikel van Schrijverspunt schrijft hij elke week een column over (super)kleine ergernissen in de samenleving.


Advertentie:
Share